Kennis in netwerken

(Ervarings)Kennis als grondstof, wederzijdse aantrekkelijkheid als bindmiddel. Het opbouwen van nieuwe kennis door deling met professionals , onderzoekers en beleidsmakers. Vorm geven aan nieuwe praktijken.

Over het Zwarte Gat

Kennisnetwerk en haar partners.

Home » Kennisontwikkeling » Herstel, empowerment, ervaringsdeskundigheid

Herstel, empowerment, ervaringsdeskundigheid

Frans Leenders,


tot februari 2007 lector vraaggerichte methodieken aan de Hogeschool van Amsterdam en daarnaast adviseur en (maatschappelijk) ondernemer wonend in  Maastricht sinds eveneens begin 2008.


Samen met Gert de Haan zit ik in de Raad voor Bekwaamheidsontwikkeling (RvBO). Dit is een Raad die beoogt de projecten en activiteiten die worden gemaakt binnen het gemeenschappelijke kwaliteitstraject ‘Resultaten Scoren’ (traject van de gemeenschappelijke verslavingszorginstellingen) meer in hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijke onderwijs (wo) ondergebracht te krijgen. Gert heeft veel contact en affiniteit met cliënten en hun initiatieven, zit ook binnen de RvBO op een soort kwaliteitszetel voor deze groeperingen.

Hij heeft het weer voor elkaar me tijdens de kerstdagen aan het werk te zetten. Als eertijds oprichtingsdirecteur van GGZ Nederland, zo oreerde hij via e-mail, moest ik toch een apart licht kunnen laten vallen op de thema’s zoals ze in de titel staan bijeen geveegd? Duizend tot 1300 woorden alstublieft en of ik het direct kan doorzenden aan de redactie, want mijnheer zelf moet plotseling naar Zwitserland omdat hij het aan de stok heeft met plaatselijke reactionaire fracties in de gemeenteraad. Ik heb maar niet meer gevraagd hoe dat precies zit, want iets vragen aan Gert is vragen om werk en voorlopig kan ik wel vooruit. Dus ik heb mijn  partner met onze kinderen en kleinkinderen een paar uur de hort op gestuurd en hier zit ik nu.

Veel beschouwends over de invalshoek management en organisaties wil me voorlopig nog niet te binnen schieten. Eerder denk ik aan onderzoek dat ik uitvoerde naar opvoeder-kind paren waar van alles loos was. Onderzoek naar de omgang bijvoorbeeld van verslaafde moeders en hun kinderen. Maatschappelijk werkers, bijvoorbeeld, die in die tijd (midden jaren tachtig) in het nauw kwamen als ze de kinderrechter informeerden over de aanwezigheid van drugs in een gezin. Dit had meestal per direct uithuisplaatsing van de kinderen tot gevolg. Deze werkers raakten daardoor vaak in gewetensnood, want niet zelden troffen zij uiterst betrokken opvoeders aan, waar het leven niet erg had meegezeten. Deze opvoeders deden vaak het uiterste om hun kinderen goed groot te krijgen. Jaren hebben we tientallen van deze kinderen met hun moeders gevolgd.

Daar kwam me voor het eerst de volle omvang van het begrip ‘herstel’ ook onder ogen. Deze moeders bleken vaak zeer spitsvondig in het verzinnen van tal van oplossingen voor de kleine en grote opvoedingszaken en problemen, maar deze pasten vaak niet of slecht binnen de kaders van de officiële opvoeders en professionals. Een verslaafde moeder kon veel steun hebben en een paar grijpstuivers overhouden van een of meer vaste klanten die zij seksueel aan hun gerief liet komen. In de ogen van de officiële hulpverlening scoorden ze hier vaak niet hoog mee. Deze onorthodoxe wijze van stabilisering van het gezinsinkomen gaf hen veelal het gevoel dat ze ‘greep op hun omgeving’ hadden en konden daardoor vaak veel aan, hadden een positief zelfbeeld, het gevoel het zelf voor elkaar gebokst te hebben en kosten daardoor gemiddeld genomen vaak aanzienlijk minder voor de samenleving, dan vele andere moeders die meer ‘volgens het boekje’ werkten.

In zekere zin is dit een voorbeeld van wat men met ‘herstel’ bedoelt, oplossingen voor problemen waarmee men geconfronteerd wordt die goed passen en voortkomen uit de mogelijkheden en wensen van de betrokkene zelf. Het ‘volgen van het boekje’ (van de professional of de omgeving) geeft weliswaar meer geaccepteerde oplossingen, weerspiegelen echter ook vooral de criteria van de hulpverlenende omgeving of samenleving en vragen vaak meer en lastiger drempels waarover de betreffende moeders hadden moeten stappen. Dit laatste wordt vaak wel aangeduid met de rehabilitatie- aanpak.

Dit voorbeeld maakt gelijk de dilemma’s duidelijk. In het hersteltraject bestaat er veel meer mogelijkheid voor de cliënte of patiënte om trots te zijn op eigen oplossingen en hier een gepaste identiteit bij te ontwikkelen. Bij de rehabilitatieroute zijn de middelen en oplossingen meer algemeen geaccepteerd, maar vragen meer steun en afhankelijkheid van de hulpverleners of mantelzorgers. Dan duurt het snel langer voordat eenzelfde gevoel van competentie, zeg ‘greep op je omgeving hebben’ is opgebouwd.

Maar de Tweede Kamerdebatten waarin de directies van instellingen moeten komen uitleggen dat het accepteren van betalende vriendjes van de in hun programma zittende verslaafde moeders een onderdeel van het programma vormt, kan iedereen zich geïllustreerd voorstellen. Dit soort taferelen vormen in belangrijke mate de grenzen die men in het debat over herstel versus rehabilitatie tegenkomt. Een herstelaanpak vraagt vaak een onorthodoxe aanpak, hulpverleners die er zijn als het nodig is (‘presentie’) en waar mogelijk de oplossingen en het gedrag van betrokkene bevestigen en bekrachtigen. De oplossing van bovengegeven voorbeeld moet er uiteindelijk niet toe leiden dat moeders gestimuleerd worden in het opzetten van goedlopende bordelen. Maar oog en waardering voor ongebruikelijke oplossingen, met het gemeenschappelijk zoeken van minder riskante aanpak, zijn  onderdelen van een vertrouwenwekkende interactie tussen cliënte en hulpverlening.

Voor het management en de professionals van een welzijns- of zorgverleningsinstelling zijn dit ingewikkelde trajecten, die veel inzet en durf vragen. Inzet omdat de gangbare procedures meer geaccepteerd en gemakkelijker uit te voeren zijn. De extra kosten (de gangbare cao’s vormen hierbij niet echt een flexibel kader) worden zeker ook niet als vanzelf door verzekeraars en andere financiers (woningcorporaties, WMO enz.) gedekt. Wachtlijsten en andere prioriteiten vragen ook om aandacht.

Durf omdat een herstelaanpak veel extra ‘tegen de stroom in roeien’ vraagt. Voor een belangrijk deel zal de hulpverlening die veilige plekjes (‘niches’) moeten creëren of afschermen, waarin de herstellende zijn oplossingen kan zoeken en zijn eigenwaarde (en nieuwe identiteit) en tevens de veel besproken ‘empowerment’ kan ervaren.

Natuurlijke partners bij dergelijke processen zijn familieleden of vrienden van herstellenden. Zij zien als geen ander hoe minimaal de levens van hun geliefden vaak worden ingevuld, omdat er geen geld voor een behoorlijke behuizing is of anderszins de mogelijkheden zeer beperkt zijn. Sinds kort ben ik deel van een stichting die zich een beter herstel (vanuit de recovery gedachte opgezet) van ggz-cliënten ten doel stelt (www.recoverynederland.nl). Zij vormen veelal een belangrijk breekijzer bij bijvoorbeeld interessante bouwprojecten, waarbij meer vierkante meters worden gebruikt dan de gebruikelijke AWBZ-kaders aangeven. Zij laten zich ook als zodanig gaarne inhuren door directies van ggz- instellingen die de buitenwacht ‘mee moeten krijgen’. Zij vormen daardoor met hen een krachtige alliantie bij het bevechten van omstandigheden waarbinnen hersteltrajecten voor cliënten mogelijk zijn.

Vraaggerichtheid heeft dan een heel praktische en veelbelovende invulling gekregen. Als dit doorzet is de verwachting dat er op termijn meer herstellenden meer draagkracht, (zelf)redzaamheid en persoonlijke autonomie hebben bereikt. Men zal sneller aan het werk zijn en dit als zinvol ervaren. Welk werk dit is, onbetaald of betaald (dat laatste natuurlijk het liefst), zal nog menigeen verrassen.

Thom Bornemann, onder de Nixon regering in de jaren negentig een van de leidende mannen binnen de geestelijke gezondheidszorg van de VS en zopas nog in Nederland vanwege het tweede lustrum van GGZ Nederland, wees er op dat we als samenleving nauwelijks een alternatief hebben. Indien we het hersteldenken niet snel omarmen, zullen we in onze vergrijzende en ontgroenende samenleving straks te weinig professionals hebben om de snelgroeiende zorg- en welzijnsvraag te kunnen beantwoorden. Meer herstel, met meer oog voor maatwerk waarbij het individu in staat gesteld wordt op eigen kracht zijn boontjes te doppen, vormt straks een economische noodzaak. Een hogere arbeidsparticipatie van herstellenden ziet hij daarbij als een belangrijk bijverschijnsel. Alleen daarom al vormt het een topprioriteit binnen zorg en sociaal economische thema’s en debatten van de komende decennia.

 

Frans H.R. Leenders, Maastricht 28 december 2007