Bejegening
De hulpverlener dient de patiënt met respect te benaderen. Respect blijkt allereerst uit de houding. De hulpverlener geeft de patiënt een hand en stelt zich voor, vraagt hoe het ermee gaat en spant zich in om te begrijpen wat de patiënt op dat moment doormaakt.
Een goede hulpverlener trekt tijd uit voor de patiënt en geeft de patiënt alle aandacht. Hij gaat tactvol om met gevoeligheden van de patiënt en geeft ruimte tot een gesprek over een behandelingsvoorstel. Als de patiënt het middel erger vindt dan de kwaal, wordt daar niet korzelig op gereageerd. Als de patiënt op een persoonlijke vraag geen antwoord geeft, neemt men dat hem niet kwalijk, maar bespreekt men de gevolgen van dat zwijgen voor de hulpverlening. Ook als de patiënt heel eigen opvattingen heeft over leven en gezondheid, wordt dat niet als een probleem gezien. En zelfs als de patiënt tijdelijk of blijvend niet in staat is om de hulpverlener als mondig mens tegemoet te treden, respecteert de hulpverlener die patiënt als mens. En men vraagt toestemming aan de patiënt als men over hem met collega's wil spreken of zijn problematiek als `case' voor studenten wil gebruiken.
Bij een correcte bejegening gaat het echter om méér dan medemenselijkheid. De hulpverlener wordt geacht ook beroepsmatig bezig te zijn, dat wil zeggen dat hij ervoor geleerd heeft bepaalde problemen te behandelen en daartoe de bekwaamheden bezit: behalve kennis en vaardigheden ook de professionele instelling. Dat leidt in de eerste plaats tot het proberen een zo volledig mogelijk beeld te verkrijgen van de problemen en van de behoeften en eigenaardigheden van de patiënt. Dus neemt men de tijd en toont men begrip en aandacht, blijft men zoeken naar alle stukjes van de puzzel.
Luisteren, ook naar wat niet wordt gezegd, kenmerkt de goede hulpverlener. Voor elke behandeling bestaat wel een alternatief -- aan de patiënt is de keuze. De hulpverlener dringt hulp, opvattingen en meningen niet op aan de patiënt. Hij is er ook op bedacht dat de hulp, de behandeling, tot pijn en ongemak kan leiden en probeert de patiënt daar zo veel mogelijk tegen te beschermen. Een andere eis waar de hulpverlener aan dient te voldoen, is dat hij altijd alle deskundigheid waarover hij beschikt aanwendt om de patiënt te helpen. Dit geldt ook voor kleine dingen, bijvoorbeeld de keuze tussen het geven van een injectie of een pil voor de inleidende verdoving voor een operatie, het uitleggen van de werking van een medicament, of de kleur van een vulling bij de tandarts. Patiënten vinden het belangrijk dat de hulpverlener zich tactvol opstelt in situaties die pijnlijk of kwetsbaar voor hen kunnen zijn, zoals uitkleden of uitgekleed gezien worden of gehoord worden bij het doen van mededelingen die men als vertrouwelijk beschouwt. Eigendommen en eigenschappen van patiënten behoren tot de persoonlijke leefsfeer. Daar komt niemand aan en als het niet anders kan, gaat men er voorzichtig mee om.